Halfpipe (ski en snowboard)

Met name onder snowboarders is de halfpipe geliefd. Een halfpipe is letterlijk een halve pijp waarin trucs gedaan kunnen worden. Snowboarders en skiërs doen een serie trucs terwijl ze van de ene naar de andere kant van de pijp gaan en in de lucht zweven. Ze gaan als het ware door de pijp heen. Een van de snowboarders die de sport – met name in de Verenigde Staten – enorm populair heeft gemaakt, is Shaun White. De Amerikaan veroverde twee gouden medailles op de Olympische Winterspelen van 2006 en 2010. Snowboarders maakten in 1998 al hun debuut op de Spelen, de skiërs deden in 2014 voor het eerst op deze discipline mee.

Skicross/snowboardcross

Bij snowboardcross, ook wel boardcross genoemd, nemen vier tot zes deelnemers het tegen elkaar op in een uitgezette bochtige baan met aanzienlijke verschillen in hoogte. Het parcours bestaat uit kuipbochten, scherpe bochten en hoogteverschillen. Het principe is simpel: wie het eerste beneden is, heeft gewonnen.

Skicross is afgeleid van en vergelijkbaar met de snowboardcross. Het in de sneeuw uitgezette parcours wordt gekenmerkt door bochten, bermen en schansen. Net als bij snowboardcross komen botsingen en valpartijen ook in de skicross niet zelden voor, al is duwen en trekken niet toegestaan.

Slopestyle (ski en snowboard)

Bij de slopestyle ski of snowboard je over een parcours met vele obstakels achter elkaar, zoals ramps, rails en kickers. Onderweg naar beneden moeten de deelnemers diverse trucs en sprongen laten zien. Er zijn vier soorten trucs: de spin (waarbij de skiër/boarder om zijn lengteas draait), de grab (een sprong waarbij de skiër/boarder in de lucht een ski vastpakt), de grind (de skiër/boarder glijdt over een rail) en de flip (een salto). Je krijgt punten voor de hoogte tijdens de sprongen, de originaliteit en de uitvoering van de trucs. De discipline is afgeleid van het skateboarden en BMX.

Big air

In deze discipline maak je op je ski’s of snowboard een afdaling. Er worden enorme schansen gebouwd, waarop je trucs doet. Het is eigenlijk een extreme versie van de slopestyle. Deelnemers doen zeer gecompliceerde trucs in de lucht en proberen zo hoog en zo ver mogelijk te komen. Het onderdeel big air staat in 2018 in Pyeongchang voor het eerst op het programma tijdens de Spelen.

Freeride

Freeride is al jaren populair onder skiërs en boarders. Het is een variatie op het traditionele off-piste skiën en snowboarden en toerskiën. Bij het freeriden staat het zelf vinden en rijden van lijnen centraal. Een freerider gaat vooral buiten de gebaande paden en is op zoek naar onder meer cliffs om vanaf te springen en andere terreinvormen die de rijder uitdagen creatief te zijn. Een freerider gebruikt het terrein en past zijn snelheid en bochten continu aan (aan het terrein). Freeride is alleen geschikt voor ervaren skiërs en boarders, aangezien je op jezelf bent aangewezen en je niet beveiligd bent.

Kiteskiën

Deze relatief nieuwe skidiscipline is eigenlijk een combinatie van kiten en skiën. Het kan gedaan worden op het land, in sneeuw, op water en op ijs. Kiteskiën lijkt op kiteboarden op het water; door middel van de wind en de kite glijd je in de sneeuw. Je kunt enorm hoge snelheden bereiken en grote afstanden afleggen. Deze vorm van skiën wint de laatste jaren aan populariteit in landen als Noorwegen, Rusland, Canada en de Verenigde Staten.

 

Bronnen: onder meer Wikipedia

Foto: Shutterstock/wiablack

  • Datum: 03-02-2016
#Wintersport #Trends

Lees ook